Vandaag stond mijn tweede halve dienst op het programma. Bij aankomst op de sluis trof ik mijn collega, die er duidelijk zin in had om naar huis te gaan. Toch namen we even de tijd om bij te praten. Niet zo gek ook, want dit is de collega bij wie ik ooit een meekijkdag had en met wie ik vanaf het begin een fijne klik heb. Als we elkaar zien, is het altijd even gezellig.

Onze babbel wordt ruw onderbroken door de telefoon: er ligt een bootje voor de sluis. Ik geef mijn collega lachend een figuurlijke schop richting de uitgang. “Ga nou maar naar huis, je hebt lang genoeg gewerkt.” Ik neem het van hem over en begin meteen met het schutten van het eerste bootje van mijn dienst.
Even later duik ik het logboek in. Niks bijzonders te melden vandaag – op één bootje met pech na, en een paar die vanmorgen al zijn geschut. Benieuwd hoeveel ik er vanavond nog krijg. Ik tik net de eerste zinnen van mijn vorige blog als de telefoon alweer gaat. Een nieuwe boot wil geschut worden.
Ik loop naar het bedieningspaneel en zet de sluis omlaag. Ondertussen zie ik iemand van de andere kant de sluis oplopen. Ze blijkt uit het wachtende bootje te komen en vertelt me dat hun motor stuk is. Ze zullen straks hun bootje de sluis inslepen. Vervelend voor hen, maar gelukkig geen probleem voor mij.
Als de deur open kan, blijkt de motor het nog steeds niet te doen. Het bootje wordt inderdaad langzaam naar binnen gesleept. Ze willen na het schutten aan de steiger aanleggen om te kijken of ze het kunnen oplossen. Prima plan. Terwijl het water stijgt, bedenk ik me ineens: hoe denkt die dame aan de overkant eigenlijk weer bij haar boot te komen? Lachend zeg ik: “Misschien handig als je eerst even oversteekt, vóór ik de deur open doe?” Ze schiet in de lach en stapt snel over de deur heen. Het bootje wordt er voorzichtig uit gesleept en aangemeerd.

Ik blijf nog even kijken en zie een ander bootje aanleggen. Ik vraag de schipper of hij door de sluis wil. “Ja graag,” zegt hij. En dan bedenk ik me iets: misschien kan hij wel helpen? Ik vraag of hij verstand heeft van motoren. Zonder aarzelen springt hij aan wal en neemt een kijkje. Superfijn!
Terwijl hij onderzoekt wat er aan de hand is, komt er nóg een bootje aan. Ik geef ze toestemming om alvast de sluis in te varen, maar vraag wel om wat geduld. Ook deze schipper staat even later naar de motor van de pechboot te kijken. Helaas, geen succes – de motor geeft geen teken van leven. De eigenaren besluiten een monteur te bellen.
Ik schut de wachtende bootjes naar de Sloterplas en loop daarna nog even terug naar het aangemeerde bootje. De monteur had geadviseerd om de motor eerst af te laten koelen. De bemanning vermaakt zich intussen prima met een spelletje. Geduld is een schone zaak!

Na een klein uurtje krijg ik ineens een zwaai. De motor doet het weer! Opluchting alom – ze hoeven niet te overnachten en varen tevreden weg. Ik schut nog een paar bootjes verdeeld over de avond en denk met een glimlach: het begint zowaar op werken te lijken.
Als de klok aangeeft dat mijn dienst erop zit, sluit ik rustig af, stap in de auto en meld me af. “Goede wacht!” wens ik mijn collega’s toe. Wat begon als een simpele avonddienst werd toch weer een dag vol verrassingen, gesprekken en kleine geluksmomentjes.
Heb jij wel eens meegemaakt dat vreemden spontaan te hulp schoten – op het water of daarbuiten? Ik ben benieuwd naar jouw verhaal! Deel het in de reacties hieronder.

