Het is zaterdag en als ik naar het weer kijk, lijkt het een rustige dag te worden. Grijs, miezerig en niet echt uitnodigend vaarweer — maar soms bedriegt de stilte.
Als ik aankom bij de sluis is er nog geen bootje te bekennen aan de stadskant. Mooi, dat geeft me tijd om rustig op te starten. Ik pak de sleutel van het sluiswachtershuisje, doe de deur open en haal wat spullen uit de auto: mijn laptop (voor dit blog natuurlijk), een boek voor de stille momenten, en wat andere kleine dingen.
Na het inrichten van het huisje begin ik aan mijn standaardrondje. Eerst het bedieningspaneel aan de stadskant openzetten. Daar sluit ik gelijk het rinket — het luikje in de sluisdeur — zodat de andere kant straks ook open kan als dat nodig is. Er zit namelijk een beveiliging op de sluis: beide deuren kunnen nooit tegelijk open. Wel zo veilig.
Net als ik naar de andere kant loop om ook daar het paneel te openen, zie ik iets opvallends aan de steiger liggen: de Zeehond. Geen echte natuurlijk — het is een boot met die naam. Maar er is niemand aan boord, dus ik vermoed dat hij gisteravond net te laat was voor de doorvaart.

Ik bel even met de dienstleider:
“Hey, ik ben er. Weten jullie iets van een zeehond?”
“Een… wat?”
“De boot, bedoel ik. De Zeehond ligt hier.”
We lachen even. Hij weet van niets. Nou ja, dan zal de eigenaar zich vanzelf wel melden.
Ik begin aan een nieuw blogbericht over de donderdagdienst, als ik ineens iemand zie zwaaien aan de overkant. Hij wijst naar de kant van de Zeehond — aha, de schipper wil graag door de sluis. Ik laat het water zakken, terwijl ik probeer een beetje te schuilen voor de motregen. Gelukkig ligt mijn jas nog in de auto aan de andere kant. Snel aangetrokken — heerlijk, zo’n echt waterdichte jas.
Als de sluis open is, vaart de Zeehond door. De schipper lacht: “Het wordt straks mooi weer.”
We zullen zien…
Ik moet nog een boodschapje doen, dus ik spring snel op de scooter. Nog geen vijf minuten later word ik gebeld: er ligt een bootje bij de sluis. Terug dus. Sluis omlaag, bootje erdoor, en weer verder.
Een tweede poging dan maar. Helaas kan ik de winkel die ik zocht niet vinden. Dan maar naar een andere. Boodschappen in de tas, terug naar de sluis. Tijd voor brunch — want van ontbijt was het niet gekomen vandaag.
Net de laatste hap op, zie ik opnieuw een bootje. Aan de hoge kant dit keer, dus dat scheelt. En wie is het? Juist: de Zeehond. Ik moet lachen. Tijdens het schutten begint de schipper zijn BBQ alvast aan te steken.
“Veel zonnestralen gewenst, en eet smakelijk!” roep ik bij het uitvaren. Hij zwaait met een brede lach terug.
Het klaart wat op, dus ik besluit mijn hengel erbij te pakken. Even vissen. Vier voorntjes later is de pret voorbij — ze willen niet meer bijten. Dan zie ik drie jongens midden in de sluis vissen. Ik loop naar ze toe en zeg vriendelijk dat het eigenlijk niet mag, volgens de visplanner.
“Als jullie gecontroleerd worden door de Amsterdamse Hengelsportvereniging, kost het je een boete.”
Ze schrikken even, bedanken me, en verplaatsen zich snel naar buiten de sluis.

Even later zie ik nog twee vissers. Ook hen geef ik aan dat in de sluis niet gevist mag worden. De oudere van de twee wist het niet:
“Mag dat al lang niet dan?”
“Geen idee hoelang,” zeg ik, “maar het staat nu zo aangegeven.”
We praten nog even, tot zijn kleinzoon er genoeg van heeft: geen beet te bekennen. Ze ruimen op en gaan weer verder.
Tijd om zelf ook wat te eten klaar te maken. Maar dan zie ik aan de overkant twee jongens in regenkleding staan. Ze wijzen naar beneden — daar ligt de Zeehond weer, met verzopen passagiers aan boord. Regenjack weer aan en richting bedieningspaneel.
Als ze eenmaal in de sluis liggen, loop ik naar de schipper toe.
“Jij had zon beloofd,” zeg ik grinnikend.
Hij kijkt wat beteuterd:
“Ja, die hoop had ik ook. We hebben uiteindelijk maar onder een brug gebarbecued.”
Gelukkig klonk het wel alsof het gesmaakt heeft — daar gaat het om.
Als ik ze weer uitzwaai, kan ik alleen maar denken: wat een dag. Niet eens zo druk, maar vol kleine verhalen. En met de Zeehond als rode draad. Ik eet mijn eten op en mag dan de boel afsluiten. Einde werkdag.
Tot de volgende keer weer.

